Het onderwijs
De Belgische Grondwet legt in artikel 24 de algemene principes voor het onderwijs vast. Binnen dit kader is de Duitstalige Gemeenschap bevoegd voor onderwijs op alle niveaus:
- kleuterscholen,
- basisscholen,
- middelbare scholen,
- scholen voor bijzonder onderwijs,
- scholen voor voortgezet onderwijs,
- hogescholen.
Deze bevoegdheid is zeer uitgebreid en omvat zowel:
- wedden van het onderwijzend personeel,
- studietoelagen,
- schoolgebouwen en internaten,
- leerprogramma’s,
- leerlingenvervoer,
- vakantieregeling,
- enz.
Sinds de wijziging van artikel 130 van de Grondwet van 20 mei 1997 is de Duitstalige Gemeenschap ook bevoegd voor het taalgebruik in het onderwijs.
Artikel 24 van de Grondwet bepaalt, dat elk kind recht heeft op onderwijs. Bovendien is het onderwijs vrij, dat betekent dat de ouders vrij kunnen kiezen of ze hun kinderen naar een vrije school of naar een school van een gemeente of de gemeenschap sturen. De Grondwet verplicht de gemeenschappen om neutraal onderwijs in te richten, dat rekening houdt met de filosofische, ideologische en godsdienstige opvattingen van de ouders en van de leerlingen. Bovendien bepaalt de Grondwet dat alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen gelijk zijn voor de wet of het decreet.
Behalve deze grondwettelijke principes blijft de federale Overheid alleen nog bevoegd voor:
- het begin en einde van de leerplicht,
- het bepalen van de minimale voorwaarden voor het uitreiken van schooldiploma’s,
- de pensioenregeling.
|